Berichten van de werkvloer

Kleine sporen, grote verhalen: Rob Houkes

Hoe weten we waar vuurstenen werktuigen voor gebruikt werden? We spreken met Rob Houkes, specialist gebruikssporen via Archol. Gebruikssporen zijn microscopisch kleine sporen op vuurstenen artefacten, die ons vertellen wat de functie van deze werktuigen was.

Tekst: C. Moolhuizen

“Ik heb archeologie en prehistorie van Noordwest-Europa gestudeerd en ben afgestudeerd op vuursteentypologie. Ik ben als student begonnen bij het toen net opgerichte Archol en heb daarna voor verschillende bedrijven gewerkt als (veld)archeoloog en specialist in vuursteen en natuursteen. Sinds 2013 werk ik als zelfstandige specialist.

Ik heb vuursteen altijd mooi materiaal gevonden: dit was het gereedschap waar ander gereedschap mee gemaakt is. Pas veel later nam metaal die rol over, maar daarvoor had je voor veel  werktuigen en gebruiksvoorwerpen die je maakte vuursteen nodig om ze te maken. In de Nederlandse archeologie was typologie lang leidend, daarna kwam onderzoek naar technologie in zwang, hóe de werktuigen gemaakt werden. Maar hoe en waarvoor vuurstenen werktuigen werden gebruikt was toen ik studeerde nog een nieuw onderzoeksgebied. Annelou van Gijn was toen de eerste in Nederland die zich met gebruikssporenanalyse bezighield. Maar microscoopwerk trok me toen helemaal nog niet! Pas toen ik een paar jaar geleden  werd gevraagd om me te bekwamen in gebruikssporenanalyse dacht ik: nu ga ik het doen. Mijn eerste commerciële project was Angeren, waar ik bijna 300 vuurstenen artefacten van heb bekeken, dat was heel leerzaam.

Gebruikssporenonderzoek voer je uit door te kijken naar de microscopisch kleine sporen die door gebruik zijn ontstaan op vuurstenen artefacten, waardoor je ongeveer ziet waarvoor ze gebruikt zijn, in welke richting en welke contactmaterialen gebruikt zijn. Soms is het zelfs mogelijk om nog specifieker handelingen of materialen te achterhalen, zoals de vuurslag waar vuur mee gemaakt is. Het voornaamste is dat dit onderzoek je dichter bij de mensen brengt die het vuursteen gebruikten.

Hoe weet je nu welke gebruiksspoor bij welke handeling hoort? De universiteit heeft sinds de jaren ‘80 door middel van experimenten gebouwd aan een referentiecollectie gebruikssporen, vooral op vuurstenen. Van alles wordt bedacht en uitgeprobeerd: wat zouden mensen in het verleden gedaan hebben, waar zouden ze de vuurstenen voor nodig hebben gehad? Met vuursteen werden bijvoorbeeld allerlei stappen uitgevoerd die nodig zijn voor manden vlechten. Wilgentenen snijden, de bast eraf halen; aan de gebruikssporen kun je dan zien dat het wilgentenen zijn geweest en welke beweging is gemaakt. Het resultaat is een collectie die nu bestaat uit duizenden vuurstenen met verschillende gebruikssporen.

Daarnaast worden microscoopfoto’s gemaakt van de gebruikssporen op de werktuigen. Vroeger waren dat nog analoge zwart-witfoto’s die in de kaartenbak staan, dat zijn nog steeds de mooiste foto’s, als je het mij vraagt. Maar uiteindelijk is een foto toch niet te vergelijken met wat je ziet onder de microscoop, waar je ziet hoe een spoor verandert wanneer je scherpstelt. Leiden is de enige plek in Nederland waar zo’n grote collectie is, maar ondanks dat vind je het niet altijd het antwoord dat je zoekt: mensen gebruikten hun werktuigen niet keurig zoals de stukken in de referentiecollectie. Soms overlappen verschillende sporen elkaar, want mensen gebruikten hun messen als multi purpose tool. En soms kun je sporen eenvoudig niet verklaren, omdat mensen dingen deden waar we nu geen weet meer van hebben.

Een bijzonder project was het Doggerland-project. Waar nu de Noordzee is, was vroeger land waar mensen woonden. Artefacten uit die tijd zijn opgezogen van de zeebodem, met het zand om de Maasvlakte mee op te spuiten, en onderzocht. We vonden daarin bijlen, die we van het vasteland weinig kennen. Ik verwachtte er niet veel van: de bijlen waren helemaal zwart en hadden door een kilometers lange buis vol zand en stenen gereisd. Wat zou daar nog aan te zien zijn? Maar op de helft was nog sporen van houthakken zichtbaar. Sommige handelingen zijn typisch voor een bepaalde periode, maar houthakken is van alle tijden. Het lijkt misschien een logische conclusie, maar als je kijkt naar de benen ‘bijlen’ uit Hardinxveld, die bleken allemaal gebruikt voor het schrapen van huiden. Wat we uit gewoonte een bijl noemen, is dat bij nader inzien niet altijd.

Gebruikssporenanalyse wordt niet altijd uitgevoerd; het millimeter voor millimeter afspeuren van een rand kost wel een uur per artefact. Dat moet vooraf wel begroot zijn en dat staat of valt met het PvE. Iets om in gedachten te houden bij het opstellen. Archeologen moeten daarnaast rekening houden met de krassen die metalen zeven maken, of de sporen die zelfs plastic zeven achterlaten op vuursteen. Het oppervlak moet schoon zijn om het te kunnen bekijken, dus je komt er niet onderuit, maar zorg ervoor dat je hoe dan ook niet gaat wrijven! Zet de waterstraal maar liever iets harder.

Het mooiste van dit werk blijft dat je dicht bij de mensen van toen komt. Typologie is het beschrijven van resten, met onderzoek naar technologie kijk je al meer naar het bewerken van steen, maar bewerkingssporen gaat over wat mensen deden. Werktuigen die mensen echt vast hebben gehouden, dichter bij de prehistorische mens dan dat kun je niet komen. Het liefst zou je in iemands hoofd kijken: ‘waarom doet ie dat zo’, maar dat moet je erbij fantaseren. Dat is de reden voor dit type onderzoek: niet een saai verhaal over hoeveel steentjes, maar wát er met die vuurstenen gedaan is. Het verhaal gaat over mensen, niet over vondsten.”

De laatste (belangrijke) schakel van een archeologisch onderzoek: Esther de Kok-‘t Gilde

Vandaag spreken we met Esther de Kok-’t Gilde, hoofd deponering, over een vaak onzichtbaar maar onmisbaar onderdeel van het archeologisch werkproces. Alle vondsten en informatie die uit het veld komen, moeten uiteindelijk ook ergens heen…  Hoe gaat dat in zijn werk? Wat zijn de dingen waar zij tegenaan loopt waar wij geen idee van hebben? Esther vertelt ons erover.

Tekst: C. Moolhuizen

‘Als hoofd deponering ben ik verantwoordelijk voor de aanlevering van vondsten en data uit het veld bij de provinciale en gemeentelijke depots. Na ieder project en iedere opgraving moet dit gebeuren. Wat veel mensen namelijk niet weten: de vondsten die wij als bedrijf aantreffen, zijn niet van ons. Wij halen ze uit de grond, maar de vondsten zijn en blijven eigendom van de provincie of gemeente waar ze zijn aangetroffen. We hebben ze in bruikleen om te onderzoeken. Na het wetenschappelijk onderzoek gaan ze naar provinciale of gemeentelijke depots.

Ik ben in 2022 bij Archol gestart als hoofd deponering, na afwisselend bij een gemeente en de universiteit te hebben gewerkt. In deze functie heb ik een hoop nieuwe kennis opgedaan over het deponeringsproces binnen de Nederlandse archeologie. Het werk is behoorlijk afwisselend: de ene keer werk je met formulieren, de andere keer duik je in doos vol vondsten om te controleren of alles compleet is. Documentatie is, zoals veel dingen tegenwoordig, grotendeels digitaal geworden. Hoe ouder het project, hoe groter de kans dat er nog analoge documentatie is.

Het proces van deponering begint eigenlijk al in het veld, want daar worden de data verzameld die we later deponeren. Hoe je dat doet, beïnvloedt wat je later gaat deponeren. De juiste wijze van verzamelen maakt mijn werk makkelijker, want er komt een stuk meer bij kijken dan veldtekeningen en vondsten over de schutting gooien.

Tegenwoordig werken we met zogenaamde selectierapporten. Zodra de rapportage is afgerond door de projectleider, vult zij of hij een selectierapport in waarin alles staat wat gedeponeerd gaat worden: alle vondsten, alle documentatie. Het depot geeft goedkeuring voor dit rapport en bepaalt welke vondsten het wel of niet wil hebben. Na dit onderdeel is het project ‘deponeerklaar’, zoals dat heet, en dan begint mijn werk.

De overdracht bestaat uit twee elementen, namelijk de documentatie en de fysieke vondsten. Nu komt een essentieel onderdeel van het deponeringsproces aan bod: de pakbon. Dit is een soort samenvatting van alle documenten en vondsten die ter deponering bij de provincies worden aangeleverd. Dit is gestandaardiseerd, al heeft ieder bedrijf zijn eigen systeem om dit op te stellen. Ingewikkelder wordt het wanneer een project bij een gemeentelijk depot moet worden aangeleverd, want daar zijn veel meer uiteenlopende regels voor. Het is mijn taak om te zorgen dat we daarvan op de hoogte zijn en deze eisen naleven. Bij projecten die uiteindelijk naar een gemeentelijk depot gaan, word ik daarom vaak in een vroeg stadium betrokken om alles in goede banen te leiden.

Ondanks alle digitalisering blijft het natuurlijk mensenwerk! Gelukkig maar, want het blijft bij elk project weer een interessante puzzel voor mij. Een goede depothouder moet georganiseerd kunnen werken, want er liggen vaak vele projecten om te deponeren. Dat gaat niet een voor een omdat je tussendoor wacht op reacties van depots. Er speelt veel door elkaar. Ik houd dus een database bij van alle voortgang. Je moet van puzzelen houden: op zoek door digitale mappen en fysieke vondsten naar wat je nodig hebt. De afwisseling is leuk, je praat veel met mensen. Ik vorm de tussenpersoon tussen het bedrijf en het depot. Ik voer niet alleen het computerwerk uit, maar ben in feite de contactpersoon die bemiddelt tussen de eisen van depots en de archeologische realiteit.

Het uiteindelijke doel van mijn werk is zorgen dat de vondsten en data op de juiste wijze bij de depots komen. Veel mensen realiseren zich niet dat er achter de schermen nog veel werk verricht wordt na een opgraving en rapportage. Uiteindelijk is het juist belangrijk om alle vondsten en documentatie te bewaren, ook voor eventueel toekomstig onderzoek. Het werk is dan wel onzichtbaar, maar het is zeker van grote waarde.’

Esther de Kok-’t Gilde werkt sinds 2022 voor Archol bv als hoofd deponering en vondstbeheer.

Digitalisering van kaartmateriaal: Nathan Verstraaten

Door het digitaliseren van oude veldtekeningen kan een wereld aan informatie toegankelijk worden gemaakt voor onderzoekers. Zo heeft collega Nathan Verstraaten voor de gemeente Eindhoven het analoge kaartmateriaal van het terrein Woenselse Poort gedigitaliseerd. We spreken met Nathan, specialist GIS en Visuele Vormgeving bij Archol, over oude kaarten, millimeterpapier en de overeenkomst tussen een logikwis en digitaliseren.

Tekst: C. Moolhuizen

De Woenselse Poort was een van de oude vestingwerken van Eindhoven, waar helaas weinig over bekend is. Van het bakstenen poortgebouw en bijbehorende brug weten we dat deze er in de 15e eeuw al waren; langs deze brug kwam men op de weg naar ’s-Hertogenbosch. Op het 18 Septemberplein, de huidige locatie, heeft de gemeente meerdere archeologische onderzoeken laten uitvoeren. Mijn rol in dit onderzoek was om de analoge veldtekeningen hiervan digitaal te maken.

Tegenwoordig komt veel informatie al digitaal uit het veld, omdat we alles met GPS inmeten. Voor oudere onderzoeken geldt dit vaak niet. Toen de uitwerking en vondstverwerking voor Woenselse Poort van start gingen, was het belangrijk dat het kaartmateriaal digitaal beschikbaar gemaakt werd. Ik kreeg scans aangeleverd van analoge vlak- en profieltekeningen op milimeterpapier. Ook waren er tekeningen beschikbaar in Photoshop, maar hier hing natuurlijk geen archeologische data aan.

Hoe ging dat digitaliseren in zijn werk? Om te beginnen ging veel tijd zitten in het georefereren. Dat betekent dat ik de tekening koppel aan de topografische kaart van Nederland. Gelukkig had ik enkele coördinaten, maar de uitdaging is om alle punten goed te krijgen. Zoals bij veel oudere opgravingen, was bij Woenselse Poort gebruik gemaakt van een lokaal coördinatenstelsel in plaats van het Rijksdriehoeksstelsel (RD). Dat werkt prima, maar voor het georefereren geeft het even wat extra werk.

Allereerst heb ik de kaarten met RD-punten gerefereerd. Aan die kaarten heb ik  vervolgens de tekeningen met enkel een lokaal grid opgehangen. Een goed aanknopingspunt daarbij was als een bepaald spoor op meerdere vlaktekeningen terugkwam, en zo heb ik alle punten aan elkaar geknoopt. Zie het maar als een soort van logikwis. Met twee projecten op één locatie, en 3 of 4 vlakken die ook niet naadloos op elkaar aansloten, was dat af en toe passen en meten! Soms moet je in dit werk accepteren dat niet alles perfect kan, en genoegen nemen met de realiteit zo dicht mogelijk benaderen.

Na het georefereren heb ik alle sporen en putgrenzen met de hand overgetrokken, op een speciaal tablet met tekenpen. Alsof je met pen en papier bezig bent, maar dan op een scherm. Van een platte tekening maak ik zo uiteindelijk een database, die hangt aan de visuele kaart. Elk deel is dan aanklikbaar en geeft de informatie weer die daaraan gekoppeld is. Het geheel wordt niet alleen netter, zonder al die vegen en gumlijnen, maar ook makkelijker te delen en te bevragen. Als ik bijvoorbeeld uit één laag alle vondsten wil zien, is dat in een handomdraai mogelijk. Wil je grondsoort, structuur of kleur erin? Kan gewoon. Alles kan in één pakket bij elkaar worden gehouden. De bestanden zijn zelfs kleiner dan scans, ondanks alle data die erbij is gekomen! Het digitaliseren van archeologische veldtekeningen geeft dus een aardige meerwaarde.

Een ander groot voordeel is dat de tekeningen na digitalisering zijn veiliggesteld; zie het als een stukje conservering. Als je nu bijvoorbeeld Archis opent, kun je veel data zo opvragen, maar oude, analoge kaarten komen daar natuurlijk niet naar boven. Veldtekeningen, zeker als ze nog gemaakt zijn op ouder millimeterpapier, worden mettertijd minder leesbaar, ze kreuken, raken slecht scanbaar. Uiteindelijk vergaan ze gewoon. Wie weet, waarschijnlijk ligt er in depots nog een schat aan informatie op de planken in de vorm van analoog kaartmateriaal. Daar zou nog zoveel uitgehaald kunnen worden voor toekomstig onderzoek, terwijl al die informatie nu ergens analoog stof ligt te vangen.

Als we nog even kijken naar de Woenselse Poort: het digitaliseerwerk heeft de kluwen aan losse stukjes info overzichtelijk gemaakt. Je hoeft je niet door een berg tekeningen heen te worstelen, op zoek naar spoornummer zoveel. Je ziet nu meteen uit welk vlak, of put het spoor komt. Komt het terug in meerdere vlakken? Je legt alle kaartlagen over elkaar heen en klaar ben je. Het is mogelijk om aan sporen te ‘hangen’ dat ze bij het poortgebouw of de brug hoorden, en een simpele zoekopdracht komt die info meteen naar boven. We konden sporen extra data meegeven; of ze bijvoorbeeld bij de brug of bij het poortgebouw horen. Met een simpele zoekopdracht komt die info dan meteen naar boven. Je kunt ad infinitum bewerken en toevoegen, zoals vondstdata en dateringen.  Dat is de grote winst van dit werk.

Hoewel software en tools voor digitalisering zich natuurlijk altijd blijven ontwikkelen en steeds beter worden (en ergonomischer, niet onbelangrijk), blijft digitaliseren als puntje bij paaltje komt het overtrekken van tekeningen. Dat is de charme ervan, het handwerk. Het leuke is ook dat het voelt als puzzelen: wat is de optimale manier om dit aan te pakken? Deze vorm is niet gesloten, dus er kan geen data aan worden gekoppeld, hoe gaan we dit samen met de opdrachtgever oplossen? En natuurlijk is het geweldig om te werken aan de toegankelijkheid van data voor toekomstig onderzoek, en te weten dat iemand voor een publicatie of scriptie niet door 15 tekeningen heen hoeft te werken. Die potentie maakt dit werk zo mooi om te doen.’

Nathan Verstraaten werkt sinds 2023 voor Archol bv als specialist GIS en Visuele Vormgeving.

 

AI & Archeologie: Merel Penterman

In het kader van de Annie Romein-Verschoorlezing op 7 maart 2025 (‘Bètavrouwen en alfamannen: over de rol van gender in AI’ van Maaike Harbers) spreken we met collega Merel Penterman. Merel is een pionier op het gebied van het gebruik van AI voor veldarcheologie. Haar afstudeeronderzoek richtte zich op het gebruik van Image recognition voor het herkennen van spiekers (opslagstructuren) op basis van paalsporen.
Tekst: C. Moolhuizen

‘Het idee voor dit onderzoek werd geboren op een opgraving, toen ik het er met een collega over had. In het veld komen we zoveel paalsporen tegen, zou het niet mogelijk zijn om daar AI op los te laten en archeologen te helpen met het identificeren van structuren? Dat bleek een vrijwel onontgonnen onderwerp binnen de archeologie en ik dacht: dit ga ik proberen.

Voor mijn afstudeeronderzoek heb ik me gericht op opsporen van prehistorische spiekers. Het is nog geen werkend model, daarvoor moet veel meer tijd gestoken worden in het bouwen van modellen, maar met mijn onderzoek heb ik aangetoond dat dit in de toekomst wel degelijk mogelijk is.

De eerste resultaten voor het werken met image recognition, waar ik gebruik van heb gemaakt, en text mining, voor het doorzoeken archeologische data, zijn al veelbelovend. Ook voor bepaalde specialismen zou dit kunnen werken; in de toekomst kunnen we misschien wel aardewerk, pollen of parasieten determineren met AI.

Natuurlijk is het belangrijk dat archeologen, net als ieder ander die met AI werkt, dit als hulpmiddel gebruiken naast hun eigen inzichten. We moeten altijd zelf op onze sporenkaarten blijven kijken. Zie het als een rekenmachine, die ook geen wiskundig probleem voor je oplost maar je wel ondersteunt.

Valkuilen zijn er ook. Alle data die we gebruiken, wordt op een net andere manier gemaakt, ze bevatten een bias waar je je altijd bewust van moet blijven. Maar in de archeologie is zoveel data voorhanden, ook van oude projecten, dat AI een waardevolle toevoeging kan vormen. Het is bijvoorbeeld een moeilijkheid dat archeologische structuren zoveel verschillen in vorm, maar het heeft mij positief verrast hoe goed het model daarmee omging. De grootste bottleneck is dat er zoveel data ingevoerd moeten worden. Dat kost nu eenmaal veel tijd en geld.

Het leukste aan mijn onderzoek vond ik dat het gebruik van AI in ons vakgebied echt nog in de kinderschoenen staat. De afgelopen vijf jaar is deze tak van sport echt op stoom gekomen met nieuwe computers, technieken en algoritmes en het is geweldig om daaraan mee te werken. Of ik een pionier ben? Ha, dat is een groot woord, maar er ligt nog veel werk waar niks mee gedaan is dus dat is een mooie uitdaging.

Het is goed dat er, zoals nu bij de Annie Romein-Verschoorlezing, over het onderwerp gender in AI wordt nagedacht en dat het bespreekbaar wordt gemaakt. In mijn eigen niche zijn vooral vrouwen met dit onderwerp bezig, maar de data genereren wij niet zelf. Deze komen vooral uit het werkveld, waar niet alleen de genderverdeling heel anders is dan gemiddeld binnen de IT, maar het betreft ook een heel ander soort informatie dan, zeg, in de geneeskunde.

Wat niet wil zeggen dat we niet moeten opletten. De ophef over AI-gegenereerde beelden van ‘het verleden’ die gebruikt werden voor publieksbereik, begrijp ik zeker. Hier geldt het principe  GIGO (‘garbage in, garbage out’). Beeldgeneratie staat echt nog aan het begin, ik zou dat zelf niet zonder meer gebruiken.

Ken je het voorbeeld van het AI-onderzoek naar aardewerktypen? Het werkte perfect, veel beter dan verwacht. Toen bleek dat de AI zich niet richtte op de potten zelf, maar op de maatbalkjes die erbij lagen! De maatbalkjes waren uniek voor de musea waar het aardewerk vandaan kwam en daar kwamen die feilloze resultaten vandaan. Als mens kunnen we niet altijd weten wat AI ziet. Hoewel digitale archeologie in de afgelopen jaren aanzienlijke vooruitgangen heeft geboekt, is er nog steeds ruimte voor verdere theoretische en ethische verdieping. Ook voor commercieel gebruik moeten we het goed toetsen. Maar ik geloof dat dit uiteindelijk zal uitvloeien in beleid en in een curriculum, omdat we wel moeten. AI zal ook in de archeologie een rol gaan spelen.’

Merel Penterman (1997) studeerde af in de richting Research Master of Science in Digital Archaeology met haar onderzoek ‘Ancient Storage and AI: Automated object detection of prehistoric granaries on archaeological GIS maps: A Deep Learning approach’. Sinds 2020 werkt ze voor Archol bv.

Link naar scriptie:  https://hdl.handle.net/1887/4195042

 

Linked-In

Instagram

Heb je al plannen voor de herfstvakantie? Kom woensdag naar de ArcheoHotspot in Leiden! Samen met Faculty of Archaeology - Universiteit Leiden organiseren we een geweldige middag voor jong en oud! Kom luisteren of steek zelf de handen uit de mouwen om meer te leren over alle kanten van ...archeologie.

Benieuwd naar het programma? Lees meer op: https://lnkd.in/e96mw-ZW

Kom je in de herfstvakantie naar de PopUp ArcheoHotspot? Samen met Faculty of Archaeology - Universiteit Leiden trakteren we 22 oktober op een middag vol archeologische belevenissen, lezingen, experimenten en veel meer. Zien we jullie daar?

...https://www.universiteitleiden.nl/agenda/2025/07/archeohotspot-faculteit-der-archeologie

Goed zichtbaar én herkenbaar het veld in met onze nieuwe hesjes! Collega @daudi_cijntje showt de nieuwe voorjaarscollectie van Archol. 🤩🤩🤩

In één oogopslag zie je hoe het landschap zich door de tijd heen aanpast! Hier zie je een opgraving bij Eindhoven, waar we sporen vonden van een bronstijdhuis, een middeleeuws greppelsysteem én een karrenpad. Dat pad zie je op de foto, waar onze collega in het gele hesje het inmeet. Later werd ...het pad verlegd doordat het gebied werd ontgonnen en beakkerd. Let op de huidige weg op de achtergrond: die volgt nu die nieuwe route!

Ben je al bekend met het belangrijke project ‘Proteha mi’?
We zijn trots dat onze collega Daudi Cijntje zich, samen met Maaike de Waal (Leiden University) en Lauriane Ammerlaan (BONAI), via dit project inspant om het Bonairiaanse erfgoed beter te beschermen. Bij het 'Proteha ...mi'-project speelt de stem van de de lokale gemeenschap een cruciale rol. Naast archeologie en geschiedenis spelen de verhalen uit mondelinge overlevering een belangrijke rol.

Uit het artikel:
“The name "Proteha mi" translates to "Protect me" in Papiamentu, reflecting its core mission of preserving Bonairean heritage. Cijntje, one of the project's key figures, explains: ‘Our project is called Proteha mi: protecting the Bonairean heritage. I’ve been excavating on Bonaire since 2016, and through our findings, we realised that much of the island’s cultural heritage is at risk of being lost due to the rapidly increasing number of construction projects, as well as the impacts of erosion and climate change. This project emerged from discussions on how best to protect it.’ ”
Dit project is mede tot stand gekomen dankzij Cultural Heritage Agency of the Netherlands en Mondriaan Fund.

Voor meer informatie over dit project:
https://lnkd.in/eck4AffX
Foto: Daudi Cijntje

………2025 van start!

Er ligt weer een volledig nieuw jaar voor ons! Een jaar met nieuwe en uitdagende archeologische onderzoeken, met nieuwe kansen/ mogelijkheden en uiteraard met onze nieuwe directeur Harald de Boer. In ieder geval wensen we iedereen vanuit Leiden een mooi jaar toe ...in goede gezondheid.

De medewerkers van Archol zijn inmiddels alweer druk aan het werk in alle delen van Nederland en helpen gemeenten, provincies, erfgoedorganisaties en particulieren met uiteenlopende Archeologische onderzoeken.

Nieuwsgierig waar we u mee van dienst kunnen zijn in 2025? Klik hier voor meer informatie www.archol.nl.

Graag tot ziens in het nieuwe jaar!

Harald de Boer nieuwe directeur Archeologisch Onderzoek Leiden BV

Harald de Boer is per 1 januari 2025 gestart als nieuwe directeur/ bestuurder van Archeologisch Onderzoek Leiden BV (Archol) dat een zelfstandig onderdeel is van de Universiteit Leiden. Vanuit het Van Steenis gebouw ...(Faculteit der Archeologie) worden al 27 jaar de ruim 25 enthousiaste professionals aangestuurd.

Archol “We zijn erg blij met de komst van Harald de Boer als nieuwe directeur van Archol. Harald heeft een ruime ervaring als directeur in het culturele erfgoedveld. Met zijn kennis, ervaring en netwerk kan hij ons enorm van dienst zijn. Van harte welkom in het team, Harald!”

Archol verricht sinds 1997 op projectbasis een breed spectrum aan archeologische werkzaamheden door heel Nederland voor overheden, bedrijven en particulieren. De wortels van Archol liggen in de Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden.

De Boer “Bovenal vind ik het een enorme eer om voor deze prachtige organisatie te mogen werken. Ik ben van huis uit commercieel opgeleid en nu alweer vele jaren werkzaam als directeur in het culturele erfgoedveld waar m’n passie en netwerk ligt. De archeologie wereld maakt voor een groot deel het erfgoedveld en daarom blijf ik met deze nieuwe stap bijdragen aan het ontsluiten van ons erfgoed. Archeologie blijft ook altijd tot de verbeelding spreken. In de eerste plaats door de hoeveelheid kennis die je bij elk project opdoet over het verleden van een dorp, stad, leefgemeenschap of natuurgebied. Super interessant! Hiernaast is op dit moment de archeologie ook urgenter dan ooit door de verandering in 2024, waarbij een deel van de Erfgoedwet in de Omgevingswet is opgegaan. Kortom dynamiek genoeg en heel veel zin om aan de slag te gaan.”

Stichting BONAI, in samenwerking met archeologen Daudi Cijntje (Archol B.V.) en Maaike de Waal (Faculty of Archaeology - Universiteit Leiden en ARGEOgraph), is trots te melden dat het project “Proteha mi” is geselecteerd voor subsidie (117040 euro) vanuit het Faro-initiatief van de Rijksdienst ...voor het Cultureel Erfgoed. Dit project, ingediend op 6 september 2024, werd op 4 december 2024 niet alleen goedgekeurd, maar eindigde ook in de top 3 van alle initiatieven.

Het project “Proteha mi” zal tussen 2025 en 2027 worden uitgevoerd en heeft als doel het beschermen van Bonaire’s rijke culturele erfgoed, met een nadruk op de betrokkenheid en perspectieven van de lokale gemeenschap. Vorige week is het projectplan overhandigd aan de gedeputeerden Angelica Cecilia en Nina S. den Heyer (openbaar lichaam Bonaire (OLB). De eerste workshops zullen in juni/juli 2025 plaatsvinden.

𝗪𝗼𝗿𝗸𝘀𝗵𝗼𝗽𝘀 𝗲𝗻 𝗰𝗼𝗺𝗺𝘂𝗻𝗶𝘁𝘆-𝗯𝗲𝘁𝗿𝗼𝗸𝗸𝗲𝗻𝗵𝗲𝗶𝗱

In het kader van het project zullen vier workshops worden georganiseerd, gericht op:

- 𝗔𝗿𝗰𝗵𝗲𝗼𝗹𝗼𝗴𝗶𝗲: Verkenning van archeologische vindplaatsen, het huidige beleid en verhalen van voorouders. Deelnemers uit de gemeenschap worden aangemoedigd om belangrijke locaties en natuurgebieden aan te dragen voor verder onderzoek en wettelijke bescherming.

-𝗦𝘁𝗮𝗺𝗯𝗼𝗼𝗺𝗼𝗻𝗱𝗲𝗿𝘇𝗼𝗲𝗸: Het in kaart brengen van familiestambomen, waarbij deelnemers worden opgeleid om later zelf stamboomcursussen te geven. Tijdens dit onderzoek kunnen nieuwe erfgoedlocaties worden geïdentificeerd. De eerste workshop over stamboomonderzoek wordt verzorgd door het (CBG) Centrum voor familiegeschiedenis, terwijl de tweede wordt gegeven door een lid van de gemeenschap die de eerste workshop heeft gevolgd.

De workshops zullen resulteren in de selectie van drie locaties waar niet-verstorende archeologische veldinspecties zullen plaatsvinden. Dit onderzoek richt zich op behoud in situ, zodat vindplaatsen intact blijven, en onderzoek met en door de gemeenschap.

𝗩𝗮𝗻 𝗴𝗲𝗺𝗲𝗲𝗻𝘀𝗰𝗵𝗮𝗽 𝗻𝗮𝗮𝗿 𝗯𝗲𝘀𝗰𝗵𝗲𝗿𝗺𝗶𝗻𝗴

De inzichten uit de workshops worden vastgelegd in een rapportage die zal worden ingediend bij het Openbaar Lichaam Bonaire en die beschikbaar zal worden gesteld voor de gemeenschap. Het project streeft ernaar meerdere locaties wettelijk te laten erkennen en beschermen als cultureel erfgoed.
Het project wordt afgesloten met een Caribbean Ancestry Club-evenement, waar de resultaten worden gepresenteerd, artiesten optreden en de gemeenschap de gelegenheid krijgt om nieuwe ideeën en projecten te delen.

Meer informatie over "Proteha mi" is te lezen op: https://lnkd.in/eX7Hnt2Z

Meer (goed) nieuws in 2025!

Credits:

Afb.1: orthofoto 3D-model petrogliefen Boca Onima (Daudi Cijntje).
Afb.2: overhandiging activiteitenplan "Proteha mi" door Lauriane Ammerlaan (BONAI) aan gedeputeerden Nina S. den Heyer en Angelica Cecilia (openbaar lichaam Bonaire (OLB).
Afb.3: "Proteha mi" in Boneriano.