home home
Project/

Herpen Hertogswetering
Archeologisch inventariserend veldonderzoek Herpen-Hertogswetering. Onderzoek langs een restgeul.
back
download pdf Download Archol rapport


Een wetering
De Hertogswetering, die de gehele Maaskant doorkruist, is aangelegd in het begin van de 14e eeuw, op de grens waar het dekzand onder de rivierklei ‘verdwijnt’. De wetering is aangelegd voor de ontwatering van de Maaskant tussen Herpen en ’s-Hertogenbosch om de mogelijkheden voor de akkerbouw te optimaliseren. Bij de aanleg is gebruik gemaakt van de lager gelegen, fossiele beddingen van de Maas, zoals ter hoogte van het onderzoeksgebied, direct ten noorden van Herpen, dat wordt aangeduid als de Putwielen. In het kader van de ontwikkeling van een ecologische verbindingszone is hier een archeologisch boor- en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd.

Archeologie
Aan beide oevers van de fossiele maasgeul bij de Putwielen zijn archeologische vindplaatsen bekend. In het zuiden ‘omarmt’ de de wetering de oostelijke uitloper van een dekzandrug. Daar is in 1975 bij werkzaamheden in het kader van een ontgronding materiaal gevonden uit de Vlaardingen-cultuur (midden-neolithicum B) waaronder een complete pot en een transversale pijlspits. De vondsten zijn afkomstig uit een met veen gevulde (drenk)kuil. Op enige afstand van deze kuil is ook een boomstamwaterput aangetroffen. Door het ontbreken van vondstmateriaal is de datering daarvan niet vast te stellen, mede ook omdat op dezelfde locatie oppervlaktevondsten zijn gedaan uit de brons- en ijzertijd, Romeinse tijd en de middeleeuwen.
Aan de noordzijde van de wetering zijn twee vindplaatsen bekend. Tijdens de ontgronding van een perceel in 1950 zijn ‘enkele potten en scherven van besmeten en gladwandig aardewerk met gecalcineerde beenderen’ gevonden. Zij hebben waarschijnlijk behoord tot een grafveld uit de ijzertijd. Even ten zuidwesten daarvan zijn scherven gevonden uit de periode ijzertijd tot en met Romeinse tijd.
Archeologische resultaten
De resultaten van het boor- en proefsleuvenonderzoek, en met name de complexiteit van de vlakken en profielen wijzen op een zeer ‘dynamisch’ landschap. Geulen en zandopduikingen liggen kort naast elkaar, klei- en zandafzettingen liggen door elkaar heen.

IJzertijd
Centraal in het gebied, in een geulvulling bestaande uit sterk geoxideerde en verspoelde kleiafzettingen, werden fragmenten ijzertijdaardewerk gevonden. Op de rivierzandopduiking direct ten oosten van de geul tekenden zich in het vlak enkele sporen af, echter zonder vondstmateriaal. Wel lagen enkele aardewerkfragmenten uit vermoedelijk de ijzertijd en een vuursteenafslag buiten de sporen. Een tweede geul, ongeveer 250 m oostelijk, is deels opgevuld met zand dat waarschijnlijk is afgezet door de wetering. De sporen in het zanddek moeten uit de Romeinse tijd of jonger dateren, gezien het feit dat het verspoelde zand buiten de sporen en de klei onder het zanddek ijzertijdaardewerk bevatte.

In de zandopduiking ten oosten van de laatste geul waren, aansluitend op de huidige wetering een aantal fossiele oeverranden zichtbaar. De oeverranden of -inhammen zijn restanten van de situatie zoals deze in de late prehistorie heeft bestaan. Op twee locaties werden in de donkergrijze tot zwarte en sterk humeuze vulling grote aantallen scherven uit met name de vroege ijzertijd gevonden. Eén oeverrand bevatte een dik kleipakket met veel houtskool, leem, brokken kwarts en aardewerk. Botanisch onderzoek wees uit dat het pakket verscheidene verbrande cultuurgewassen (emmertarwe, gierst en gerst) bevatte. Het grootste deel van de botanische resten bleek echter afkomstig van vegetatie van waterkanten en open water. Het geheel duidt ons inziens op een of meerdere ‘activity area(s)’ langs de oever van de geul. De veronderstelde activiteiten kunnen worden toegeschreven aan de bewoners van de ijzertijdnederzettingen aan beide zijden van de wetering. Vergelijkbare ‘activity areas’ zijn ook aangetoond bij het onderzoek langs de(zelfde) Hertogswetering, ter hoogte van Lith. Clusters aardewerk ingebed in klei of op een kleine zandkop en brandplekken met aardewerk lijken ook hier te wijzen op kleinschalige en/of kortstondige activiteiten, bijvoorbeeld kleiwinning of aardewerkproductie, die buiten het (nabijgelegen) erf en nederzetting plaatsvonden. Een aardewerktechnologisch onderzoek van inheems aardewerk uit de ijzer- en Romeinse tijd uit Oss-Ussen heeft aangetoond dat bijna uitsluitend gebruik is gemaakt van zware komkleien zoals die langs de Hertogswetering ruim voorhanden zijn.

Middeleeuwen en nieuwe tijd
Op beide zandopduikingen zijn tussen de geulen een groot aantal karrensporen gevonden. De oriëntatie is ten opzichte van elkaar afwijkend (noordoost-zuidwest en noord-zuid) maar in beide gevallen worden de sporen afgesneden door de huidige wetering. Mogelijk duiden ze op voorden, doorwaadbare plaatsen in een beek of rivier. De ouderdom van de sporen is moeilijk te bepalen. Uit het oostelijke cluster werd een proto-steengoed scherf (13e eeuw) en een fragment laat-middeleeuws Elmpt-aardewerk geborgen.
In de directe omgeving van de karrensporen zijn de restanten van een aantal palen geborgen. De forse eikenhouten, aangepunte palen hadden een lengte van ruim 1,25 m beneden maaiveld. Ze vormden twee parallelle rijen, haaks op de wetering. Eén paal was gefundeerd in een van de oeverinhammen en had daarbij een vondstlaag met botmateriaal en ijzertijdaardewerk doorboord. Het meest waarschijnlijke is dat de palen de peilers van een brug of mogelijk een steiger vormen. Een datering voor de constructie is moeilijk te geven. Het enige aanknopingspunt bieden twee kaarten uit de 16e en begin 19e eeuw. Deze laten een weg van Herpen richting Neerloon ‘door’ de wetering zien, ter hoogte van de locatie van de gevonden peilers. Het gebied rondom de oversteekplaats is in deze periode niet meer bewoond en de resten van de eerder besproken Vlaardingen- en ijzertijdbewoning zijn dan al lang geleden ´onder de grond´ verdwenen.