Download Archol rapport

In de gemeente Maasdonk heeft ook op de locatie Nuland-Heiduinen in verband met geplande nieuwbouw een Aanvullend Archeologisch Onderzoek plaatsgevonden. Bilan had hiertoe advies gegeven aangezien zij op basis van booronderzoek meenden op een groot deel van het terrein een redelijk intact bodemprofiel, afgedekt door een oud esdek, aangetroffen te hebben. In het noordelijk
deel van het terrein zou een duinvaaggrond aanwezig zijn. Op het grootste deel van het terrein bleek inderdaad nog een B-horizont bewaard te zijn, terwijl op delen zelfs nog de A- en de E-horizont aanwezig waren. De geschiedenis van het hierop ontwikkelde esdek bleek echter complexer dan verwacht. Opnieuw tonen vondsten aan dat het esdek vanaf de 14e/15e eeuw tot ontwikkeling moet
zijn gekomen, hetgeen overeen komt met de dateringen van Vinkel en van het ontstaan van de meeste Brabantse esdekken. Centraal in het terrein was de conservering van het oude bodemprofiel zo goed dat hierdoor een zeer nauwkeurig beeld kan worden geschetst van hoe de ontginning voor de vorming van
het esdek in zijn werk ging. Allereerst werden op grote delen van het terrein plaggen afgestoken en omgekeerd. Dit zal gedaan zijn om de grond te scheuren en om de heideplanten onder te stoppen. Toch is dit niet overal gebeurd aangezien op delen van het terrein een intact bodemprofiel bewaard was. Vervolgens zijn er enkele grote maar relatief ondiepe kuilen gegraven. Mogelijk zijn hier stronken en andere obstakels begraven, maar geheel duidelijk is de functie van deze kuilen niet. Pas daarop is het esdek ontstaan. Waarschijnlijk is begonnen met het aanbrengen van een dikke laag zand en
mest aangezien de ploeg in die eerste jaren het oude bodemprofiel niet heeft verstoord. Ergens tussen 1800 en 1950 moet vervolgens het esdek voor het grootste deel afgegraven zijn. Dit gebeurde met de hand (overal konden spitsporen worden waargenomen) in stroken van 2-3 m breed waardoor diepe, langgerekte bakken ontstonden. Deze bakken zijn opgevuld met los, uitgeloogd zand dat waarschijnlijk in de onmiddellijke nabijheid in de stuifzandgebieden tussen Nuland en Rosmalen is gehaald. Het vruchtbare materiaal uit het esdek zal gebruikt zijn als bemestingsmateriaal op schrale of nieuw ontgonnen gronden.
Het aangetroffen kringvormig spoor dateert tussen de 5e-14e/15e eeuw. De functie is moeilijk te achterhalen en er zijn, voor zover bekend, geen parallellen voor gevonden. Analyse van het botanisch materiaal wees echter uit dat een vroege datering niet aannemelijk was. De functie van het spoor is onduidelijk maar mogelijk kan gedacht worden aan een greppel rondom een hooimijt. Men zou echter wel verwachten dat indien het hier om een hooimijt gaat, in het pollenspectrum een grotere hoeveelheid graspollen te zien zou zijn waar nu echter heidepollen het grootste deel vormen. De noordelijke sporen zijn recenter en dateren van na deze periode.
Hoewel er op bepaalde delen van het terrein een intact bodemprofiel is gevonden, zijn er geen archeologische indicatoren geweest die doen vermoeden dat er bewoning van vóór de ontginning is geweest. Deze bewoning lijkt zich dus meer te concentreren ten noorden van het plangebied aan de andere kant van de spoorlijn waar in de polder meerdere vindplaatsen bekend zijn uit o.a. de
ijzertijd.