Project/
Hardinxveld-Giessendam De Bruin
Opgraving van een donk in het tracé van de Betuwelijn.
De vindplaats Hardinxveld-Giessendam locatie De Bruin is de tweede donk die door Archol in opdracht van NS Railinfrabeheer is onderzocht ter voorbereiding op de aanleg van de Betuwelijn. Het veldwerk is uitgevoerd tussen maart en juli 1998. Anders dan bij de locatie ‘Polderweg’ dateren de activiteiten hier uit het laat-mesolithicum en het vroeg-neolithicum.
In die tijd staken de toppen van de donken als eilanden boven het omringende landschap uit, dat door de zeespiegelstijging steeds verder verdronk onder klei- en veenafzettingen. Thans is de donk ‘De Bruin’ door een metersdikke laag sediment bedekt.
Ondanks de grote diepteligging was het niet mogelijk de vindplaats te behouden. Door de slappe ondergrond zouden de archeologische lagen onder het talud sterk worden samengedrukt en lateraal worden verplaatst. Een opgraving was derhalve nodig om de archeologische nalatenschap te documenteren. Door de grote diepteligging was dit geen sinecure. Er dienden tot grote diepte damwanden te worden geslagen. Tezamen met een vooraf aangebrachte waterkerende laag onder de archeologische resten moesten deze technische middelen voorkomen dat de opgravingsput het uiterlijk van een zwembad zou gaan vertonen. Deze gecompliceerde technische voorzieningen stelden de onderzoekers in staat om voor het eerst in West-Nederland dermate oude complexen te bestuderen. De grote diepteligging had daarbij als voordeel dat de conserveringsomstandigheden, met name voor het vergankelijke organische materiaal, uitstekend waren.
Waar in Polderweg met name de oudste bewoningsfase (5500-5300 cal. BC) overvloedig gedocumenteerd kon worden, leverde De Bruin juist de meeste informatie over de iets jongere fase die beide vindplaatsen gemeen hebben, rond 5100 – 4800 cal. BC. Deze bewoningsfase is op beide sites keramisch en niet-agrarisch. Daarnaast leverde De Bruin in de derde bewoningsfase (4700-4450 cal BC ook de eerste aanwijzingen op voor de introductie van huisdieren, een wezenlijk onderdeel van het zogeheten neolithisatieproces. Op dat moment was de donk van Polderweg al onder het veen verdwenen en resteerde ook van De Bruin niet meer dan twee klompjes van 660 en 800 m2, die slechts een meter boven het omringende water uitstaken. Grote boomvalkuilen uit deze periode illustreren de voortschrijdende vernatting van het landschap.
De donken van De Bruin en Polderweg lagen in een gebied met relatief traag stromende rivieren tussen lage oeverwallen. Daarachter lagen uitgestrekte komgebieden. Bij hoge waterstanden braken de rivieren door de oeverwallen heen en werden crevassegeulen gevormd. Via dergelijke geulen was in fase 1 en 3 de donk te bereiken. Het landschap zal toen voor een groot deel uit plassen en meren hebben bestaan, met brede rietkragen langs de oevers en vooral rond de donken elzenmoerasbos. Tijdens fase 2 nam het moerasbos een veel groter oppervlak in beslag. In alle fasen zal het waterrijke gebied alleen met vaartuigen toegankelijk zijn geweest.
De donken zullen van verre herkenbaar zijn geweest door hun begroeiing met lindes, eiken en andere hoge loofbomen. Daaronder groeiden kleinere bomen en struiken, onder meer soorten met eetbare noten en vruchten als hazelaar, meidoorn, appel en lijsterbes.
Tijdens de oudste bewoningsfase werd mogelijk een aanlegplaats gegraven aan de zuidoostelijke zijde van de donk. Opvallend zijn twee menselijke begravingen, een kano en een fragment van een tweede exemplaar. Niet ver van de complete kano lagen de gebroken en verbrande resten van een grote boog. Mogelijk hebben de bewoners in deze fase enkele malen van donk gewisseld en kozen zij nu eens Polderweg (fase 1 en 1 / 2), dan weer de De Bruin (fase 1).
Gedurende fase 2 hadden de bewoners van De Bruin geen kennis meer van de oudere graven, want één ervan werd door hun graafwerk verstoord. Mogelijk zijn de grote kuilen net als te Polderweg resten van hutten met verdiepte vloeren. Het zal geen toeval zijn dat de omvang van het vondstmateriaal van De Bruin in fase 2 het grootst is, een periode waarin Polderweg door de grondwaterstijging moest worden verlaten.
Fase 3 luidde ook voor De Bruin het naderende einde in. Opmerkelijk uit deze fase is een cluster van kleine kuilen in de moerasrand, die opmerkelijke deposities van een reeks objecten bevatten: een pot,
een bot en een stuk edelhertgewei, een blok essenhout en drie korte stokjes, waaronder één van kardinaalsmuts. Deze deposities zijn als offers op een eenvoudige cultusplaats geïnterpreteerd. Bovendien zijn juist daar resten, voornamelijk ledematen, van enkele huisdieren achtergelaten, die eveneens als cultische deposities worden opgevat.
Voor de voedselvoorziening jaagden de bewoners van De Bruin op een grote diversiteit aan diersoorten, waaronder ook voor een dergelijk nat milieu opmerkelijk veel landdieren. Resten van wilde zwijnen en edelherten waren talrijk, terwijl soorten als de eland en de bruine beer niet zijn aangetroffen. Bevers en otters, watervogels en moerasschildpadden vormden een belangrijke jachtbuit. De bevers en otters zullen, gezien de ingeslagen schedels, met strikken zijn gevangen vanwege de pels. Daarnaast speelde ook vis een onmiskenbare rol in de voedselvoorziening, waarbij snoeken en karperachtigen de hoofdrol speelden, maar incidenteel ook volwassen steuren werden bemachtigd. Op botanisch gebied kon worden vastgesteld dat allerlei noten en vruchten werden gegeten, alsmede de wortelknollen van speenkruid. De beschikbare seizoensindicatoren wijzen op hoofdactiviteit gedurende de winter, maar ook in de zomer zal men nu en dan ter plaatse zijn geweest.
We veronderstellen dat in de loop van de bewoning een geleidelijke verschuiving in het gebruik van de donk heeft plaatsgevonden van een winterbasiskamp (fase 2) naar een steunpunt voor jacht en visserij (een zogenaamd ‘extractiekamp’) dat in verschillende seizoenen werd gebruikt. De neolithisering moet op De Bruin nog zeer beperkt zijn geweest. Het is zeer twijfelachtig, of er afgezien van honden, daadwerkelijk huisdieren op de donk rondliepen en gekweekte gewassen waren er zeker nog niet. Dat de huisdieren zo’n belangrijke rol innemen in de rituele depositiekuiltjes illustreert de uitzonderlijke positie die deze dieren destijds nog zullen hebben ingenomen.

De situatie van de donk rond 3800 cal. BC

Gedetailleerd versierde gutsvormige priem

De kano voordat deze in één stuk gelicht werd