home home
Project/

Hardinxveld-Giessendam Polderweg
Opgraving van een flank van een donk
back
Begin september 1997 heeft NS Railinfrabeheer opdracht gegeven voor de start van de opgraving aan de Polderweg in Hardinxveld-Giessendam in verband met het aanleggen van de Betuwelijn. Het archeologisch veldonderzoek werd uitgevoerd door Archol in de periode december 1997 - februari 1998. Het betrof een vindplaats uit het einde van de midden-steentijd (mesolithicum, c. 5300 v. Chr) en het begin van de nieuwe-steentijd (neolithicum, c. 4700 v. Chr.).

Ten tijde van de bewoning in het laat-mesolithicum was de donk Polderweg een droge plek in het omliggende moeraslandschap, maar vervolgens is het duin bedekt geraakt met veen en klei. Het hoogste punt van de donk Polderweg bevindt zich heden ten dage ca. drie meter onder het maaiveld. Ondanks deze diepte kon deze vindplaats niet behouden blijven: de aanleg en het gewicht van de spoorlijn zou de kwetsbare vondstlaag te veel verstoren. Door de afdekking met riviersediment is ook het organische materiaal uitstekend geconserveerd, waardoor er goede omstandigheden zijn voor onderzoek naar de materiële cultuur, de voedselvoorziening en de levenswijze in de betreffende periode. Daardoor is tevens meer inzicht verworven in het proces van neolithisering in het Beneden-Rijnbekken.

De opgraving werd uitgevoerd in een speciaal ontworpen werkput die het mogelijk maakte tot ca. 7 m diepte te graven en besloeg slechts een deel van de donktop en de helling. De vroegste sporen van menselijke aanwezigheid (fase 0) zijn ingegraven in het zand van de donk zelf. Deze fase, waartoe een menselijk graf behoort, dateert van voor 5500 cal BC. De belangrijkste bewoningsperiode, fase 1, heeft globaal twee eeuwen geduurd en is gedateerd omstreeks 5500-5300 cal BC. In deze periode zijn op de helling van de donk cultuurlagen ontstaan, die het resultaat zijn van hellingprocessen, hetgeen inhoudt dat het vondstmateriaal na depositie is verplaatst. De meeste vondsten en sporen zijn aangetroffen in of direct onder deze colluviumlaag. In de moerasafzettingen naast de donk werden veel weggegooide werktuigen van gewei en been gevonden en een aantal spectaculaire artefacten van hout, waaronder een boog, een bijlsteel en enkele peddels. Op hogere niveaus bevonden zich in het veen naast de donk twee vondstniveaus (de fasen 1/2 en 2) uit resp. circa 5100 en 5000 cal BC.

De bewoningssporen op de donk Polderweg documenteren de rol die het rivierenlandschap speelde voor de laatste jagergemeenschappen. Het gebied was aantrekkelijk vanwege zijn fauna, die vooral bestond uit waterwild zoals eenden en zwanen, bevers en otters, naast groot wild zoals zwijnen en edelherten. Groepen mensen vestigden zich met name in het tweede deel van de winter – van januari tot en met maart – in het gebied en maakten daarbij gebruik van de donken als droge woonplaatsen. Daarnaast is de donk ook in de vroege herfst gebruikt. Dat alles blijkt uit het onderzoek van het botmateriaal, de visresten en de botanische macroresten. De bewoners deden met name veel aan visvangst, waarbij zij zich vooral richtten op de snoek. Aanwijzingen voor gedomesticeerde dieren ontbreken op Polderweg; hetzelfde geldt voor cultuurgewassen, met name granen.
Een ander graf, behorend tot fase 1, was zwaar verstoord. Naast deze menselijke begravingen zijn ook drie hondenbegravingen aangetroffen. De aanwezigheid van deze graven maakt het aannemelijk dat het niet om een regelmatig kortstondig gebruikt jachtkamp gaat, maar om een woonplaats voor complete huishoudens, een zogenaamd basiskamp.

Ook de grote verscheidenheid aan werktuigen van vuursteen, been en gewei en het brede spectrum aan werkzaamheden dat door het gebruikssporenonderzoek is vastgesteld, wijzen eerder op een basiskamp dan op een klein, gespecialiseerd jachtkamp. Van uitzonderlijk belang is het omvangrijke complex aan bewerkt bot en gewei, waaronder vele bijlen.
Ook de grote verscheidenheid aan werktuigen van vuursteen, been en gewei en het brede spectrum aan werkzaamheden dat door het gebruikssporenonderzoek is vastgesteld, wijzen eerder op een basiskamp dan op een klein, gespecialiseerd jachtkamp. Van uitzonderlijk belang is het omvangrijke complex aan bewerkt bot en gewei, waaronder vele bijlen.
Een benen kokerbijl vervaardigd uit het middenvoetsbeen van een oerrund is een voor Nederland zeldzame vondst. Dit is een typisch voorwerp van jagers in Noord-Europa ten tijde van het mesolithicum.

Het vuursteenmateriaal wordt gedomineerd door een eenvoudige afslagtechniek op kleine, onregelmatige kernen en door een opvallende schaarste aan brede trapezia, die in het algemeen als het belangrijkste kenmerk voor deze periode worden gezien. Er zijn drie pijlspitsen gevonden van bandkeramisch type, die samen met knollen van Rijckholt-vuursteen een stukje pyriet en enkele grote kwartsiet-keien wijzen op connecties met bevolkingsgroepen in Zuid-Limburg en de noordrand van de Ardennen. Dergelijk materiaal is aangevoerd door speciale expedities al of niet in combinatie met uitwisseling met groepen in het zuiden, met name in het Maasdal. In de laatste bewoningsfase van Polderweg werd voor het eerst aardewerk gebruikt, dat aan het begin van de Swifterbant-traditie is te plaatsen.

Het onderzoek te Polderweg heeft voor de eerste maal een volledig beeld opgeleverd van het laat-mesolithicum in onze streken, met name van de zgn. Rijnbekken-groep, die ondermeer gekenmerkt wordt door het gebruik van de Belgische ‘Wommersom-kwartsiet’. Daardoor wordt de mogelijkheid geboden een beeld over allerlei maatschappelijke aspecten te baseren op basisgegevens uit de streek zelf en is de afhankelijkheid van de rijke Deense informatie komen te vervallen. Vergelijking laat aan de ene kant frappante overeenkomsten zien (de hondenbegravingen, het nederzettingsaspect, de voedselvoorziening) die als ‘algemeen mesolithisch’ kunnen worden bestempeld. Anderzijds zijn juist veel stilistische kenmerken van alle materiaalgroepen, die nu voor het eerst beschikbaar zijn, anders en kennelijk meer van regionale betekenis. Daarmee wordt het idee onderbouwd van geografische culturele differentiatie, van aanmerkelijke verschillen tussen het noorden en het westen, dat tot nu toe noodgedwongen grotendeels op vuursteen was gebaseerd. Door het volledig ontbreken van vondstcomplexen van vergelijkbare kwaliteit, anders dan in Denemarken, zijn de ontdekkingen van Hardinxveld-Giessendam Polderweg van meer dan nationaal belang.
de opgravingsput in vol bedrijf

de opgravingsput in vol bedrijf  

het skelet, “trijntje” genaamd, languit bijgezet in het donkenzand.

het skelet, “trijntje” genaamd, languit bijgezet in het donkenzand.  

kokerbijl gemaakt van been

kokerbijl gemaakt van been