home home
Project/

Uden A50
Archeologisch Onderzoek naar de bewoning uit de ijzertijd en de middeleeuwen in Uden
back
download pdf Download Archol rapport


Tussen 21 januari en 22 maart 2002 is een DO uitgevoerd in het tracé van de A50 bij Uden. De ijzertijdbewoning is slechts sporadisch aanwezig. In het noordelijk gedeelte van de vindplaats is een waterput uit fase A (begin vroege ijzertijd) opgegraven en tussen de vele paalsporen in deze zone zitten er ook enkele die ijzertijdaardewerk opgeleverd hebben. In het zuiden is een rij middenstaanders van een tweeschepig huis (waarschijnlijk type Haps) en een spieker uit de midden-IJzertijd aangetroffen. Daarnaast werd tijdens het proefsleuvenonderzoek een ijzertijdkuil met daarin 21 kilo aardewerk opgegraven.
De meeste sporen binnen de opgraving stammen echter uit de middeleeuwen. In het noorden bevindt zich een 20 m brede zone waarin zich vrijwel alle sporen bevinden. Uit dit cluster zijn in het veld drie Merovingische en een Karolingische huisplattegrond herkend. Bij deze nederzetting horen verder twee Karolingische waterputten (waaruit grote aardewerkfragmenten, enig botmateriaal (waaronder hoornpitten), een stuk bronzen riembeslag en een glazen kraal afkomstig zijn) en een cluster paalsporen waar zich ook metaalslakken, ijzeroerbrokken en maalsteenfragmenten concentreren.
Uit de volle Middeleeuwen zijn drie bootvormige huizen met twee tot drie waterputten en drie bijgebouwen aangetroffen. Twee bijgebouwen horen tot de in deze periode veel voorkomende hooimijt-typen, de derde bestaat uit een schuurtje met een relatief rijke rechthoekige “afvalkuil” erachter. Interessant is een greppel die zich binnen een van de boothuizen bevindt. Hiervoor zijn geen parallellen bekend en dus zijn er nog verschillende mogelijke interpretaties die nagegaan moeten worden (bv. stalgoot).
In de loop van de 13e/14e eeuw werden vervolgens greppels gegraven door de centraal in de opgraving lopende oude watergeul. Waarschijnlijk zijn deze gegraven ter ontwatering van de depressie. Daarna is het gehele gebied tot akkerzone getransformeerd en ontstaat er ook een esdek. Uit dit esdek is materiaal vanaf de 16e-17e eeuw bekend. Dit laatste komt goed overeen met de ideeën die steeds sterker naar voren komen dat de Brabantse esdekken pas vanaf de 16e eeuw ontstaan.
Na de opgraving zijn direct ten noorden van het onderzoeksterrein, waar in de proefsleuven en in de noordkant van de opgravingsputten geen sporen meer waren aangetroffen, enkele Romeinse munten en een fraaie Laat-Romeinse (eerste helft 5e A.D.) fibula bij werkzaamheden voor aanleg van de weg verzameld.