Vorige week was er niet zoveel te vertellen. Dat komt ook voor. Het werk loopt wel door, maar de sporen die worden aangetroffen zijn meer van hetzelfde. Ook dat komt voor als je als archeoloog in het veld staat. Het gaat niet alleen maar om de leuke, bijzondere en interessante zaken. Je moet soms ook delen van een terrein onderzoeken waar het wat tegenvalt. Toch zijn we al een stuk verder. Het westelijke en noordwestelijke deel van de opgraving bevatte niet zoveel sporen op prehistorisch niveau. Enkele spiekerplattegronden, hier en daar een kuil. We hielden er al rekening mee dat we van de hogere dekzandrug afgingen en op een lager deel van het toenmalige landschap terecht waren gekomen en dat klopt dus. Men heeft in de late middeleeuwen niet voor niets ter plaatse veel moeite gedaan om grond op te brengen om het terrein weer in ontwikkeling te brengen. Arme of woeste grond zal het zijn geweest. Te schraal en te nat om iets mee aan te vangen. Het is denkbaar dat men zich toch genoodzaakt zag ook deze gronden te gaan ontginnen. Ons voordeel is dat die eerste ontginningen en het jaar-in-jaar-uit opbrengen van grond een buffer heeft gevormd tussen het huidige oppervlak en dat uit de prehistorie. Dit soort esdekken bieden elders in Nederland vaak nog mooie, nagenoeg intacte archeologische vindplaatsen. We zullen in de week van 11 september dit deel afronden. De laatste put is bedoeld om echt alles te hebben bekeken, want bijzondere sporen kunnen overal en nergens opduiken.
Dat bleek wel toen we het laatste deel van de opgraving begonnen. In het noordoosten ligt nog een klein deel van het terrein waar we bewoningsporen verwachten. In het sleuvenonderzoek wemelde het ook hier van de prehistorische paalsporen, kuilen en wat dies meer zij. Ook hier loopt het toenmalige landschap af, dit maal aan de andere flank van dezelfde dekzandrug. De eerste spiekerplattegronden zijn dan ook herkend. We gingen ervan uit dat we hetzelfde beeld zouden zien als aan de andere kant en dat bevestigt weer wat we vermoeden: huisplaatsen bovenop een dekzandrug met langs de flanken de spiekers, kuilen en waterputten naar de nattere zones in het landschap waar het vee graasde. Misschien dat op de flanken de akkers hebben gelegen, of misschien wel op dezelfde rug tussen de huisplaatsen in. We hebben helaas geen aanwijzingen. Men ploegde in deze periode nog niet met een keerploeg, maar men ritste als het ware in grond een eergetouw: een veredelde, gepunte stok die voortgetrokken werd door een ossenspan, terwijl de boer flink wat druk op de ploeg moest uitoefenen om vorens in de grond te kunnen trekken. We vinden soms de ploegkrassen in lange parallelle banen in onze opgravingen, vaak ook in twee richtingen die haaks op elkaar staan. Maar dit soort ploegkrassen hebben we niet aangetroffen in het zand van Bennekom.
De bijzondere vondst betrof een kuil met menselijke crematieresten en wat prehistorische aardewerkscherven. We hadden enkele weken terug nog een restant van een kleine kringgreppel die in diameter erg klein was voor een grafheuvel, maar goed zou passen als ringsloot rondom een crematiegraf, die je in deze periode in de late prehistorie zou verwachten. Maar één zwaluw maakt nog geen zomer. Mocht de kringgreppel onderdeel zijn van een groter grafveld, dan ligt deze onder het parkeerterrein langs de Boerhaavelaan. Nu pas voor het eerst vinden we de harde aanwijzingen. Verbrand menselijk bot van de brandstapel verzameld en vermoedelijk samen met de scherven van een potje dat met de dode is mee verbrand netjes in een kuil geplaatst. We moeten nog verder met dit deel van het terrein. Of deze ene crematiebijzetting de eerste is in een (lange) reeks weten we niet. Het graf kan er volledig geïsoleerd liggen, ver buiten het grafveld. Het kan ook aan een grafveld toebehoren en dan hebben we een uitloper daarvan. Uit de database die de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek bijhoudt weten we dat 500 m ten noorden van de opgraving in 1891 een “begraafplaats der Batavieren” bekend was (Kaart van Heinrich Witte). In de wandelgids van Bennekom en omstreken uit 1902 wordt deze melding bevestigd (beide bronnen zijn aanwezig bij de Historische vereniging Oud Bennekom: Archismelding 47855). Deze begraafplaats der Batavieren is vaak een verwijzing naar graven met urnen waarvan een datering in de late prehistorie aannemelijk is. Men wist aan het einde van de 19 e eeuw nog onvoldoende van ouderdom en stilistische ontwikkelingen van aardewerk en metalen voorwerpen. Over omvang en exacte ligging en vorm van deze begraafplaats tasten we in het duister. Men documenteerde dit soort vindplaatsen niet. Er zal ooit eens een boer wat urnen hebben gedolven en via via zal bekend zijn geweest dat op het land van deze boer wel eens een begraafplaats zal hebben gelegen. Het kan dus dat ook ons graf aan deze begraafplaats kan worden toegeschreven. |