foto J.W. Dimmendaal ©

weekverslagen

x
   Terug :: week 29-30 :: week 31 :: week 32 : week 33: week 34: week 35-36: week 37
 
Week 34
 

foto J.W. Dimmendaal ©

 

© Archol bv

 

© Archol bv

 

Ook legere gebieden zijn interessant

 

We zijn de afgelopen week volop bezig geweest ter hoogte van de ingang van de Haldererhof. Daarbij hebben we voorzichtig rondom het kunstwerk gegraven. Het gevaar bestaat dan natuurlijk dat toevallig onder dat kunstwerk een interessant archeologisch spoor aanwezig is en dat we het alsnog moeten verwijderen. Maar gelukkig is dat niet het geval. De vraag was natuurlijk wat we op dit deel van de opgraving zouden tegenkomen. De (post)middeleeuwse ontginningsporen (greppels en schopsteken) waren de week ervoor al aan het licht gekomen. Het zijn sporen van de allereerste ontginning, waarna eeuwen van opbrengen van mest en zoden een eerdlaag of esdek heeft achtergelaten, duidelijk in twee perioden. Een 40 cm dikke bruine en schone laag dekt het ontginningsvlak af. Hierop ligt een 15 cm dikke, donkere zandlaag uit een latere periode (mogelijk pas in de Nieuwe Tijd (1500-1900) ontstaan. Er hierop lag de huidige teelgrond. Om naar het oorspronkelijke prehistorische vlak te graven moet je naar 1,80-2,00 m diepte.

 

Mogelijk was dit deel van het terrein ook al een lager gelegen gebied. De hoogtemetingen moeten dat uitwijzen. Wat we hier aantroffen was een goed geconserveerd en gaaf gebleven vlak, maar het aantal sporen en structuren was bescheiden. Enkele spiekers en een grote ovale kuil (1,60x0,50 m) opgevuld met houtskool bestaande uit verkoolde takjes vermengd met enkele prehistorische scherven. De ouderdom hebben we nog niet vastgesteld. Uiteraard zal het voor koolstofonderzoek geschikt zijn en weten we over een half jaar de werkelijke ouderdom. Twee spiekerplattegronden bestaande uit vier paalsporen in carré gaven ons waarschijnlijk een blik op de randzone van de nederzetting. De locatie is gebruikt voor de opslag van graan ed.

 

Het terrein in de buurt van de snelweg bleek nog redelijk ongestoord op prehistorisch niveau, maar leverde naar verhouding tamelijk weinig prehistorische sporen op. Ook hier hebben we de indruk dat we aan de rand van de nederzetting zitten. Deze legere zones aan west- en noordwestkant zijn belangrijk, omdat we ons dan enig idee kunnen vormen over de omvang van het oude woongebied. Pas dan gaat het interessant worden. Waarom liggen daar bijvoorbeeld de grenzen? Wat ligt er buiten het bewoonde deel van het terrein? Vragen die wij mogelijk niet meer zullen oplossen, maar je zou er de wegen uit die tijd kunnen verwachten, maar ook de akkers en weidegronden, of plekken die de toenmalige bewoners als ‘heilig' of bijzonder beschouwden. Bij een andere opgraving in de buurt van Oss wist een amateurarcheoloog juist buiten een nederzetting in wat oorspronkelijk een drassige laagte moet zijn geweest een bronzen bijl te vinden met zijn metaaldetector; een object dat nog omgesmolten had kunnen worden en opnieuw gebruikt had kunnen worden. De oude bewoners vonden het echter beter het in de grond te stoppen om later niet meer op te halen.